Ralph Himself

Ralph Wingens (1942 – 2014)

En dan, aan het einde van de zomer is Ralph plotseling dood. Toch nog. Een paar maanden daarvoor zag ik hem nog zitten op een terras. Met zijn petje op, sjawl om en buttons op zijn zwart wit geblokte jasje. Luidkeels pratend als altijd. De hand met een karate achtige beweging omhoog. “Amigo! Hoe gaat het? Lang niet gezien! Ben je nog dingen aan het maken?” Zijn handen en gezicht een beetje opgezwollen van het een of ander medicijn. In de diepte van zijn ogen zie ik iets van vermoeidheid. Angst ook voor het verval. Maar voor het overige praat en beweegt hij als de onsterfelijke die hij altijd was. En nu is-ie er toch tussenuit gepiept. In zijn eentje vermoedelijk. Temidden van al die boeken, maskers, poppen, foto’s, lp’s, medailles, hoeden, pruiken, kostuums, muziekinstrumenten en ander gezelschap dat hij in de loop van zijn leven met zich mee had gesleept. Een angstbeeld waar ik hem wel eens over hoorde spreken. Maar hoe, vraag je je af, had hij anders moeten gaan? In een steriel verzorgingshuis met op het kleine plankje aan de friswit behangen muur een minimale selectie van zijn verzamelingen?

Midden jaren negentientachtig organiseerde ik een festival. Ik zocht een acteur die iets over Antonin Artaud en diens Theater van de Wreedheid kon doen. Iemand zei: “Dan moet je Ralph Wingens hebben. Die weet alles van Artaud.” De tip ging gepaard met een soort waarschuwing. Het was wel een type, deze Ralph.

Het was een snikhete dag en ik woonde onder een schuin dak. Ralph zat zwetend en puffend voor me. Hij kwam binnen met een grote anderhalve literfles Spa Blauw die hij binnen een half uur opdronk. Steeds kleine slokjes nemend alsof het zuurstof was. Hij vertelde dat de hitte dat met hem deed. Dat zijn hoofd dan soms op hol sloeg. Het was inderdaad een type en ik hoopte stiekem dat-ie niet de hele avond zou blijven hangen, maar de impressario in mij zei me dat dit de man was die ik zocht. Sprekend over Artaud kwam er een zekere tederheid in zijn stem. Hij liet oude opnames van een krijsende Artaud horen. Zoveel pijn, zoveel zachtheid ook. Artaud was echt. Daar kon je niet om heen.

Op de avond van zijn optreden voor een publiek van 400 discogangers deed hij die Artaud, en nog veel meer. Hij werd uitgejoeld en toegejuicht, maar de finale triomf was voor hem. Hij had weer die waterfles bij zich. Maar nu met daarin 20 Norittabletten opgelost. Hij nam een grote slok en spuugde het zwarte water uit over het publiek, krijsend: “Je boire les ombres!” Gejuich en gegil, en hij herhaalde het nog een paar keer. Na afloop kwam hij met een stralend gezicht, waarvan de onderzijde zwart van schaduwen was, op me af gelopen. Intens gelukkig en tevreden. Dit was helemaal te gek.

Hij was een ouderwetse modernist. Zo’n modernist die zelf nog echte burgerlijkheid had gekend. Die dus persoonlijk iets goed te maken had. Het geloof in de kunst kreeg daardoor als vanzelf iets urgents. Het modernisme van die tijd (60-70) was ook een goede schuilplaats voor onaangepastheid. Impulsiviteit. Dingen anders doen. Improviseren. Plotseling een paar dagen verdwijnen en niet meer weten waar je geweest bent. Begin jaren ’80 begon dat te veranderen. Er kwam meer structuur in die wereld. Oude vriend Peer Mascini was een dankzij de reclame een nationale bekendheid geworden en het leek soms wel of-ie Ralph niet meer helemaal serieus nam, zo zei Ralph.

“Terwijl, Peer is zelf natuurlijk ook niet helemaal goed bij zijn hoofd.”

 

Wat ik van hem weet is wat hij vertelde. Of het waar was weet ik niet, maar ik geloofde hem altijd. Hoe hij in de jaren zestig met Peer naar Figueres ging om Dali te zien. Die troffen ze in de haven aan waar hij met een dorpsbewoner zat te schaken. “En het enige dat we deden was naar hem kijken. Daar zat-ie gewoon! Daar zit verdomme gewoon Dali!!” De laatste ‘i’ uitgesproken als de verschrikte kreet van een roestig schanier. Tenslotte stapte Ralph op Dali af en begon met wilde gebaren een verhaal in fantasie-Spaans. “Want wij waren zelf ook surrealisten natuurlijk, dat was opeens heel duidelijk.” Dali moest er om lachen waarop ze bij de meester thuis werden uitgenodigd. Ik sla me nu voor m’n kop dat ik hem daar destijds niet uitgebreider over heb ondervraagd. Het waren personen en verhalen die terloops voorbij kwamen in een vaak nogal ondoorgrondelijke reeks van associaties. Hoe hij, enkele weken voor diens dood, op een mooie nazomermiddag samen met Jimi Hendrix door Hyde Park wandelde.

“Dat was ook maar een gewone jongen. En helemaal niet levensmoe of zo.”

Van Morrisson. Dat was iemand. Ze gingen jaren terug. Nooit vrienden, maar ze kenden elkaar. Bij optredens ging Ralph altijd backstage. Ze herkenden vermoedelijk elkaars jazzy energie. Maar als hij in latere jaren over Van sprak was dat met een bitterheid die hij zelden toonde. Iets met een vrouw natuurlijk. Van the Man, die alle meiden van de wereld kon hebben, moest juist de vriendin van Ralph afpakken. Backstage. Ze zagen elkaar daarna nog wel. En hij bewonderde de artiest nog steeds. Maar dat was in zekere zin tegen zijn eigen wil.

Hij was iemand die met ontzag over zijn helden sprak. Hij had plakboeken vol met foto’s en artikelen over James Dean. Twee boeken ook met knipsels over Chet Baker. Ralph kwam Chet voor zijn huis tegen toen die laatste toevallig voorbij slofte. Hij nodigde hem uit. Chet kwam boven. Hij wilde niets. Alleen een glaasje water. En een beetje zitten in de keuken. Ralph wees naar het formica stoeltje. “Daar zat Chet.” Chet leek het bizarre huis van Ralph, een overvolle uitstalkast van poppen, kostuums, maskers, muziekinstrumenten, honderden boeken, vreemde voorwerpen, niet op te merken. De plakboeken over zichzelf wilde hij niet inzien, want: “That’s not me man.

Ik werkte heel graag met Ralph. Hoewel ‘werken met’ misschien wat sjiek is uitgedrukt. Ralph was er. Punt. En als Ralph er was hing er een andere energie. Er was altijd een verhaal. Een opvallend voorwerp. Een goocheltruc. Een lang citaat uit een gedicht van Rimbaud. Tijdens opnames waarin hij alleen in beeld was, of als dingen drie keer over moesten kon hij soms verlegen worden. Zenuwachtig. Verloren. In gezelschap met andere acteurs functioneerde hij op zijn best. Met een muzikaal oor voor wat de anderen zeiden, en een perfecte jazzy timing. Hij ging ver terug. En droeg dat als vanzelfsprekend met zich mee. Herman Teirlinck. Dat waren lange lijnen, recht naar het hart van het modernisme in de late negentiende eeuw.Toen iedereen zich nog kleedde alsof ze een rol speelden.

Hij was een fantastische imitator. “Niemand doet beter Jules Deelder dan Ralph,” had Jules volgens Ralph gezegd, en daarna bewees hij dan terplekke dat hij geen onzin had verkondigd. Het schuine hoofd. De staccato spraak. Het weinige haar dat hij nog had ging er als vanzelf plat van op zijn hoofd liggen.

Hij had altijd plannen en hij klaagde eigenlijk nooit. Lang schemerde er een verhaal over een caravan ergens in België waar hij kon zitten. “Om wat te doen?” Alleen maar lezen en schrijven.

Tijdens de opnames van de film Zand in 1994 kwamen we er samen met hem achter dat hij moeite had teksten te herinneren. Er was iets in zijn kop gebeurd. Hij wist niet wat. Schaamde zich kapot. Als mens en als acteur. We bedachten een oplossing in visuele codes voor sleutelwoorden waardoor het wel ging. Tijdens de laatste opname moest hij nog even op een trompet spelen. Hij toeterde al zijn schaamte met een knetterde solo weg. Een jaar later speelde hij Arthur Dauphin in de korte film De Tijdreiziger. Over een vergeten filmpionier die de eerste mens was die naar de camera zwaaide, en ook nog eens doorhad wat dat kleine gebaar feitelijk betekende. Dat er achter die lens een hele wereld verborgen ging. Ralph moest grotesk, negentiende eeuws acteren. Met gebaren in plaats van woorden. Het ouderwetse modernisme dat rond de fictieve figuur Arthur Dauphin hing (een horlogemaker die de gloednieuwe filmkunst wilde gebruiken om de tijd te meten) paste Ralph als een driedelig maatpak. Hij hield van kostuums. Een kostuum was eigenlijk al een karakter. Een reden om iemand anders te worden. Een stem aan te nemen.

Hij had een vol stemgeluid. Helder en ver dragend als van een standwerker. Zijn lach klonk als een schetterende trompet. “Héhéhé! Ieeeeee!” Uitroepen van verbazing. “Hoe-is-het mo-gelijk!?” Alles met volume, met kracht, met urgentie. Als een stoomketel die voortdurend onder druk stond. Met somberheid of stilte kon hij niet zo goed omgaan. Als het stil werd kon hij binnen enkele secondes verdwalen.

De stem op zijn antwoord apparaat: “Dit is Rélph himself!”

Teleurstelling toch in de laatste jaren denk ik. Misschien omdat hij niet geworden was wie hij had kunnen zijn.

“Maar alleen als je iemand anders was geweest, Ralph.”

“Ja, daar heb je gelijk in.”

Misschien ook omdat het theater waarin hij opgroeide in zijn ogen niet was geworden wat het had kunnen worden. Een hutspot van alle zintuigen.

Het wilde niet meer shockeren. Niet meer het onverwachte toelaten. Dat gevoel was er ook omdat hij zich, min of meer terecht, buitengesloten voelde door zijn oude collega’s. Hij werd weinig meer gevraagd. Wilde ook niet. Kon het ook niet meer. Tekst onthouden werd steeds moeilijker. Ik zag hem vaker in de omgeving van Jazz en Beeldende Kunst. Disciplines waar tekst- of nootvastheid geen vereiste zijn. Waar energieën vrijelijk alle kanten op kunnen stromen. Meer dan iets anders was Ralph een instrument.

Ik stelde me vaak voor hoe dat er uit moest hebben gezien. Ralph alleen in zijn overvolle woning. Waar op alle tafels, alle stoelen en alle banken, dingen, dingen en nog eens dingen lagen. Bij al die dingen hoorde een verhaal. Het merkwaardige was dat de chaos een zeer ordelijke indruk maakte. Alles lag waar het behoorde te liggen en stoffig was het zeker niet. Hij was het type mens dat beter met objecten dan met subjecten om kon gaan.

Wat gebeurde er, en welke gesprekken werden er gevoerd op avonden wanneer hij na een bezoek aan het Bimhuis niet meer helemaal nuchter thuiskwam en recht in het gezicht keek van die paspop in politie-uniform en met indianentooi, die inbrekers moest afschrikken? Becket en Buster Keaton links en rechts, Chet Baker in de achtergrond en Ralph in het midden.

Maar nu is het weer even zomer. Hij springt op zijn fiets en slaat zijn hand in de lucht. Nog eens die stem.

“Ciao amigo! Ciao!”

(Amsterdam, 9 september 2014)

 

 

 

Dick Tuinder

Leave a Reply