LUISTEREN MET JE OGEN

Over Het stipte wolkje, van Dick Tuinder

Door Désanne van Brederode

De uitdrukking ‘het ondermaanse’ wordt in deze moderne, totaal ver-Engelste tijden, bedroevend weinig gebruikt als aanduiding voor de aarde. Maar wat je misschien nog wel minder hoort, is de aanduiding: dit tranendal. Gisteren begon de Lijdenstijd, en daarin dienen gelovigen zwijgend af te dalen in dit tranendal, veertig dagen lang, en die veertig dagen zijn gekozen omdat Jezus ooit veertig dagen en nachten in de woestijn verbleef, op de berg der verzoekingen, waar hij streed met zijn Hogere, Goddelijke vermogens en de verleidingen die de duivel hem voor hield.
Eén van die verleidingen was: ‘Als je wilt, kun je voortaan van stenen brood maken.’
Jezus zag daar van af. Niet alleen omdat hij deze duivel niet wilde dienen, maar ik vermoed ook omdat hij mensen met deze goocheltruc de kans zou ontnemen om zelf in opstand te komen tegen armoede en onrecht, en zelf te zoeken naar een eerlijker en harmonieuzere samenleving voor iedereen. Vergeeft u me deze uitweiding, maar ze is nodig voor het volgende: op de dag dat ik het boek Het Stipte Wolkje bij mij in het postvakje aantrof, was ik ontstellend bedroefd en bevond ik mij op één van de vele bodems, dubbele bodems, van het ondermaanse tranendal.


Ik had totaal geen zin om het pakje open te maken, ook of juist omdat ik wist wat het bevatte. En ik dacht: “Ik doe de cartoons geen recht, als ik ze in deze somberheid bekijk.” Dus liet ik het pakje ongeopend en deed wat een huisvrouw en moeder behoort te doen: ik ruimde op, maakte schoon, stofte, veegde, bracht oud papier, glaswerk en plastic naar de daarvoor bestemde bakken, verwisselde vuilniszakken, hing schone was op en deed boodschappen, uit een gevoel van plicht en roeping tezamen. Bij thuiskomst, en na het inruimen van de ijskast, kon ik de verleiding toch niet weerstaan en opende het pakket en daarna het boek. En voorwaar, de doodse materialiteit ervan veranderde in mijn handen en onder mijn ogen in voedsel, in troost. In proviand voor een reis naar de maan. Ik merkte dat ik lachte, dat ik zelfs een traan had van een ontroerd lachen dat niet uit mijn buik, maar uit mijn hart kwam. In het ondermaanse ging een kleine zon op. In het tranendal begonnen de kruiden en bloemen zich te openen, tussen polletjes snel opschietend gras, en daar waggelden pinguïns in de meest onvoorstelbare formaties voorbij, en toen ik opkeek stond er nog nergens aan de hemel een stipt wolkje, maar ik wist dat het er ieder moment kon zijn, of er net was geweest, of allebei, en alles klopte en hing daarenboven met alles samen. Rustig, sereen, teder. Hier lag, op mijn schoot, de oogst van de tuinder die zelf allang weer ergens anders was, of nergens, of overal, en in mijn hoofd waaiden nieuwe ideeën binnen, voorjaarsachtig licht en waterdun. Alle aanleidingen en redenen voor mijn verdriet veranderden in absurdistische zinnetjes die zichzelf ook halverwege alweer uitgumden, en opeens vond ik het menselijke gestuntel van een reusachtige lieftalligheid en van een wonderschone onbegrijpelijkheid – en toch leek het alsof ik precies wist wat de tekenaar had willen zeggen maar niet zei, niet schreef, en wat hij had bedoeld en opzettelijk toch niet had getekend, en dit gaf een haast mystieke sensatie van bevrijding en van opluchting. Ja. Van opluchting vooral. Zo was het.

Dick Tuinder is een kunstenaar, tekenaar, schrijver, filmer met een ‘geheel eigen universum’ zoals dat zo prachtig en tegelijkertijd zo nietszeggend heet. Hij bewoont in dit universum ook zijn eigen planeet, zijn eigen maan. Van daaruit kijkt hij naar de wereld. Niet uit de hoogte, wel van grote hoogte.
Op deze maan lijkt de kunstenaar soms alleen, maar we weten: hij wordt er omringd door stille wouden, door pinguïns, door een rare eend, door mensen die op iedereen lijken en op niemand en vooral: door levende gedachten, met een eigen kleur en vorm en sfeer. En vanaf die maan werpt hij een touwladder uit waarlangs we mogen opklimmen naar zijn planeet, alwaar we, samen met hem, naar de aarde kunnen kijken. Hij leert ons naar beneden kijken, naar ‘het ondermaanse’. Maar dat is toch maar één perspectief. Want even zo vaak, en in het zelfde ogenblik, leert hij ons omhoog kijken, goed getimed omhoog kijken, naar de lucht waaraan uitgerekend dan het stipte wolkje tot verschijning komt.

HET STOUTE PENNETJE

Dit boek is een weefsel van stilstaande beelden, met wit ertussen, en ik beleef het niet als een verzameling, maar als een beweeglijke eenheid die de beschouwer zelf mede-schept. In het woord stipt schuilt het woord stip, zoals in punctualis het woord punct, dus punt schuilgaat: de stip en de punt zijn microscopisch kleine, donkere planeetjes die niet enkel op zichzelf staan, maar ook gebruikt worden om het einde van een geschreven regel te markeren. En soms staan er drie op een rij, of twee boven elkaar, of er staat er één op de i, of er hangt er één onder een uitroepteken of zo’n mooi bochtig vraagteken.
Die punten houden toch iets eenzaams, en onveranderlijks. De komma is veel speelser, laat ademen, belooft dat er nog iets komt, of zelfs iets geheel anders. De komma is een pas bevrucht ei-celletje in negatief.
Met zijn liefde voor het stilstaande, stipte beeld, voor de punt, speelt de tekenaar hier het spel van de misleiding, tot aan de zelfmisleiding toe. Want als iemand nu juist veranderlijkheid, beweging, onverwachtheid, verrassing en ademruimte in de waarneming en de geest brengt, dan is hij dat.
Tegenover het stipte wolkje staat, wat mij betreft, het stoute pennetje.

Nadat ik het boek de eerste maal uit had, bleef het pennetje bij me. Ook als ik er niet naar keek. Een pennetje dat, als niemand kijkt, als er niemand bij is, zichzelf tekent. Nieuwsgierig, ondeugend, autonoom, nee, soeverein. Een pennetje dat zichzelf wil zien, wil kennen, misschien zelfs wel een klein, besmuikt eerbetoontje aan zichzelf wil brengen, volkomen begrijpelijk en terecht. Dat pennetje is een god in het diepst van zijn misschien niet zo heel erg diepe gedachten: hij heeft in de hand van de maker al zoveel mogen tekenen, schrijven, verkennen, als een waar fenomenoloog, maar altijd in dienst van-. Dat zint hem niet, maar het zint Dick ook niet. Het pennetje heeft ook recht op een moment en monumentje voor zichzelf. Om even te herademen, in vrijheid. Niet die vingers om zich heen. Niet die sturing. Zelf kiezen welke inkt. Geen publiek. Geen boodschap en ook geen non-boodschap. Geen verklaring, duiding, commentaar, en ook geen ontregeling. Even weg uit het universum, uit het stille bos op de maan: de broodnodige, goedaardige anarchie – een selfie zonder pixels, niet eens bestemd voor social media.
De gedachte aan het pennetje maken nu al dagen mijn dag. Sinds ik deze tekening ken, kijk ik anders naar bijna alle spullen die mij en andere omringen. Wat doen ze, als niemand kijkt? Hoe is het met hun zelfbewustzijn gesteld? Willen ze weten, ervaren wie ze zijn, los van de betekenis die ze voor ons hebben? Wil mijn dekbed zelf ook voelen hoe het is om onder haar in slaap te vallen en te dromen?
Hoe zit het met het eendendons erin? Herinnert het zich de eend nog? Proeft de pollepel de sauzen en soepen waarin hij eerder heeft geroerd, en kookt hij, in de la, zijn eigen recept van niets dan de geest van smaken en geuren? Zijn mijn lampen bezield? Hoe liggen de onderlinge verhoudingen bij de tekens op onze toetsenborden? Schrijven die wel eens aan een autobiografisch fragment?
Is er, als we niet kijken, wel eens een echtelijke ruzie tussen punt en komma?
Neigen kamerplant en tafelkleed wel eens naar broedermoord?
We zullen het nooit weten, en ook Dick weet het, vrees ik niet. Maar het helpt al wel, te weten dat pennetjes zichzelf kunnen emanciperen en kunnen tekenen. In een wereld waar zoiets mogelijk is, is alles mogelijk. Tot aan het onmogelijke aan toe.

En dat is de toverkracht van Tuinder: hij draait de volumeknop van de verbeelding open, wijd, en meteen naar de hoogste stand. Ceci n’est pas een boek. En ook geen stipt wolkje.
En het bevat geen cartoons. Het is muziek. Een compositie. Een partituur. Met punten en komma’s, maar zonder noten en balken en G-sleutel. Niet uit te voeren, op geen enkel instrument. Maar horen kun je het, als je leert luisteren met je ogen. Een nieuwe Mondschein-sonate, of precies dat deel, wat Beethoven wegliet, om het over te laten aan iemand die er toen nog lang niet was. Ziet u: Klassieker kan iets heel nieuws niet zijn, en het komt, in deze op drift geraakte wereld, als geroepen.
De verhoring van een gebed dat niemand heeft durven bidden.  

Amsterdam, 8 maart 2019

Dick Tuinder

Leave a Reply