DE AMSTERDAMSE HOER

 

Een prachtige mistige ochtend in Amsterdam. 29 December. Het vroege uur en de koude houden de meeste toeristen nog binnen. Ik denk aan het Amsterdam van 30 jaar geleden. Een leuke stad. Het was crisis zogenaamd. En er was al jaren geen toekomst meer, zogenaamd. Maar de stad leefde. Bood mogelijkheden aan haar bewoners. De leegstand was een spons voor goede ideeën en leuke mensen. Amsterdam was een reden voor veel provincialen zoals ik om hun geboortegrond achter zich te laten. De stad was meer dan welke andere stad van het land een soort binnenlands buitenland. “Komt allen. Iedereen is er. En de bar is open,” zoals Peter Mertens zei. De huizen waren brokkelig. In veel trapportalen rook je in de verte het riool. Er woonden nauwelijks mensen in de stad die niet wisten wat ze met hun geld moesten doen. Ze werden ook niet gemist. De negen straatjes bestonden nog niet en heetten gewoon de Hartenstraat en de Runstraat. Er zaten bakkers, boekwinkels en een armoedige Vietnamees die heerlijke loempia’s maakte die je at vanaf alijd wat vettige en met wiebelige tafeltjes .

Op 29 december 2016 is er zogenaamd geen leegstand meer in Amsterdam. En de stad is rijker dan ooit en er wonen heel veel mensen die geen idee hebben wat ze met hun geld moeten doen.

De bevlogen historicus en wereldreiziger Jane Morris noemde in een interview dat op het internet staat toerisme ‘a prime agent for alienation.’ Morris spreekt met enige kennis van zaken. Niet alleen schreef zij een boek over het verval van Venetië, ook was zij een van de eersten, begin jaren ’70, die een volledige sekseverandering onderging en daarover een essayistisch boek publiceerde. Als historicus toerist in de tijd, als vrouw toerist in een mannenlichaam.

De Britse achtergrond van Morris en het onderwerp waarmee zij, nog in het lichaam van een man, de meeste bekendheid verwierf zijn wat dit betreft veelzeggend. In het driedelige Pax Brittanica schetste zij een kleurrijke geschiedenis van het Engelse Empire. Van de troonsbestijging van Victoria tot de dood van Churchill. Wat in de 18-de eeuw in de vorm van de Grand Tour nog tot het privé vermaak van de welgestelden behoorde werd in de 19de eeuw door diezelfde welgestelden tot staatsaangelegenheid gemaakt. Het wereldrijk en de wereldvisie die daaruit geboren werden, beschrijft Morris, ontstonden grotendeels door toeval. Het voornaamste instrument, een grote zeemacht, was reeds voorhanden. De lethargie bij andere naties en de industriële revolutie – stoommachine en massaproductie – deden de rest. Gedurende die hele eeuw kon men lezen over moedige expeditieleiders die, bijkans eigenhandig, in naam van Victoria reusachtige- tot dan toe niet in kaart gebrachte gebiedsdelen op een spreekwoordelijke zondag namiddag binnen het Britse domein brachten.

Bijna gelijk opgaand met het koloniale leger, en met een grootschaligheid die sinds de romeinse slavenarbeid niet meer was gezien, werd een spoorwegennet aangelegd dat de verste uithoeken van de wereld met elkaar verbond. Thomas Cook, zoals we reeds bij Flaubert kunnen lezen, organiseerde volledig verzorgde reizen langs de Nijl. Reisverhalen en prentenboeken van exotische oorden vonden gretig aftrek. (Flauberts reisgenoot in de Oriënt was de fotograaf en schrijver Maxim du Camp die van die reis inderdaad een succesvol fotoboek maakte.)

Er valt, wanneer we naar het begin van het massatoerisme kijken nog iets op, en dat is de sterke verwevenheid met het militaire. Het toerisme in niet alleen het gevolg van militaire veroveringen, het is in feite dezelfde oorlog voortgezet met andere middelen.

Men bestormt met landgenoten een vreemde stad, gaat op zoek naar buit, lokale souvenirs, drank, drugs en vrouwen, pist tegen een muur en gaat na enige tijd weer naar huis.

Laten we wel wezen: stadstoeristen zijn bijna zonder uitzondering idioten.

Ze betalen 2,50 voor een aansteker, 4,- voor een kopje koffie, sloffen zich dagenlang de blaren op hun voeten en komen tenslotte precies daar uit waar ze begonnen. Onderweg zien ze voornamelijk onzin. Verstandige, vredelievende mensen blijven over het algemeen thuis. Stadstoeristen zijn altijd verdwaald en staan als ontsnapte pinguïns op de vreemdste plaatsen en momenten stil. Ze kunnen niet fietsen maar dat weerhoudt ze er niet van het toch te doen, hun kinderen vervelen zich vaak of anders huilen luidkeels. Als ze iets ouder zijn – de kinderen –  fietsen ze op warme dagen in hun onderbroek met hun vrienden op een bierfiets door de stad. Ze bezoeken het wereldberoemde Wooden Shoe Museum van Amsterdam of De Heineken ‘experience’ en de rest van de vakantie staan ze heel vaak heel lang in een rij. (The Famous Amsterdam Queue Museum).

Ooit, niet eens zo heel erg lang geleden, woonden de meeste van mijn vrienden (kunstenaars, dichters, filmers; mensen met een plan) in de buurt. Dat wil zeggen, in de stad. Het epicentrum van de toeristische aardbeving die Amsterdam heeft getroffen. Inmiddels ben ik zo’n beetje de laatste. Iedereen woont nu in ver West, Oost, IJburg, Zeeburg of heeft de stad zelfs geheel verlaten. De normale levensloop speelt daarbij een rol. De vrienden werden ouder, kregen kinderen, gingen trouwen of probeerden samen te wonen. Wilden een tuin en een garage. Allemaal heel normaal.

In vroeger tijden, zo kan ik me voorstellen, werd hun plek ingenomen door een nieuwe generatie. Nu wordt de leegte die ze achterlaten direct een bouwplaats voor een nieuw hotel.

Het is algemeen bekend. De kranten staat er vol van. En niemand, dat klinkt door alles heen, wil als een zeurkous overkomen. Ook ik niet. Zelfs niet als ik het huis verlaat om brood te kopen en spitsroeden moet lopen tussen vergeefs op hun plattegrond naar het Én Frénk Haus zoekende dikke toeristen met hun vermoeide kinderen. Gewoon doorlopen is er al jaren niet meer van gekomen, tenzij op zeer ongebruikelijke uren.

Een tiental jaar geleden werd door het stadbestuur begonnen met het ‘schoonvegen’ van de Wallen. Officieel ingegeven door een plotseling besef van vrouwenhandel en de georganiseerde criminaliteit. Ook hoorde men bestuurders vaak spreken over ‘leefbaarheid’. Waarvoor ‘buurtregisseurs’ werden benoemd. In het verlengde daarvan lagen de ideeën over ‘de creatieve stad’. Sommigen spraken zelfs hoopvol van een creatieve ‘industrie’.

Een decennium later kunnen we gerust stellen dat Burgermeester, wethouders en gemeenteraad collectief hebben gefaald in al deze voornemens, mochten die al oprecht zijn geweest. Sterker nog: alles wat verbeterd zou worden is er nu vele malen slechter aan toe. Universiteitsgebouwen getransformeerd tot het zoveelste hotel. De creatieve industrie blijkt te bestaan uit ticketshops, wafelbakkers, fietsverhuurders en bewoners die hun woning verhuren terwijl ze zelf de stad ontvluchten op zoek naar leefbaarheid. Het Wallengebied – ooit twee kleine grachtjes tussen Nieuwmarkt en de Warmoesstraat – strekt zich nu uit van Artis in het Oosten, het Museumplein in het Zuiden en de Elandsgracht in het Westen.  De gehele oude stad is hoer geworden.

Bewoners die hierover hun stem verhieven werd eerst weggezet als conservatieve mopperaars. “Dit is de stad, als je daar niet tegen kunt moet je maar in een dorp gaan wonen.” Maar dit is niet de stad zelf. Deze travestie van een stad, dit naar kots, wietlucht en suiker ruikende themapark voor de hersenloze toerist is het gevolg van actief beleid van de gekozen volksvertegenwoordiging. Werd het gemotiveerd door het enorme gat in de stadsbegroting dat door die andere miskleun van nationale proporties, de noord-zuid lijn, werd geslagen? (Nog zo’n aantoonbaar geval van mismanagement waarvoor geen van de verantwoordelijken werd vervolgd.) We weten het niet. Vast staat dat dezelfde gemeente die begin 2016 voor het eerst toegaf dat ze ‘ontwikkeling’ uit de hand dreigde te lopen, tot op ditzelfde moment actief beleid voert via de afdeling Amsterdam City Promotion. Terwijl de particuliere onderverhuurder zijn huis niet langer dan 60 dagen per jaar mag verhuren worden vergunningen voor nieuwe hotels probleemloos verleend.  En de piek is nog lang niet bereikt. Momenteel worden er in een straal van nog geen 500 meter rondom mijn woning drie grote nieuwe hotels gebouwd en drie andere uitgebreid. Grotendeels met investeerders uit fijne landen als Saoedi-Arabië en China.

Los van de inhoudelijke uitholling van de stad hoef je niet tot de Tulpenmanie terug te gaan om te bedenken hoe kwetsbaar dit de stad ook heeft gemaakt. Kijk naar Egypte waar hele generaties zijn groot geworden met onzinbanen als reisgids, ijscoman of kamelenverhuurder. Als die schijneconomie door wat voor oorzaak ook wegvalt is er niets meer over. Hoeveel ijsjes kan je aan elkaar verkopen?

Dit alles, nogmaals, is geen toeval, is niet zo maar gebeurt, is niet te danken aan ‘internationale ontwikkelingen’” het is bewust beleid geweest. De gekozen vertegenwoordigers van de stad hebben die stad verraden. Ontnomen aan haar kiezers. Verkocht aan de hoogste bieder.

De stad is onleefbaar-, zo goed als onbegaanbaar-, voor velen onbetaalbaar. Het zou een nieuwe wapenspreuk, passend bij de tijd kunnen zijn. Het zou ook een aanleiding kunnen zijn de verantwoordelijken voor het gerecht te dagen en de stad terug te geven aan haar bewoners.

Dick Tuinder

Leave a Reply