“So what did you make in Zurich?”

 

“So what did you make in Zurich?”

Bezoek aan de Manifesta 12

 

In The Guardian van die week stond een onderhoudend artikel over de wedloop tussen vervalsers van kunst, die steeds geraffineerder en beter worden, en de veilinghuizen en experts die de aangeboden stukken op echtheid moeten controleren. Ik las het artikel tijdens een bezoek aan de nomadische biënnale Manifesta die voor deze editie in Palermo is neergestreken en waarvoor een gezelschap van internationale kunstenaars op bestaande locaties werk maken, alles rondom het thema “The Planetary Garden”, geïnspireerd door de beroemde Botanische Tuin van Palermo die men als symbool van soortelijk migratie en kruisbestuiving kan zien.

Al millennia een knooppunt van beschavingen en hun respectievelijke conflicten bevindt Palermo zich ook nu weer in het oog van een internationale storm. Honderd jaar lang was de Mediterranée vooral het décor voor onbezorgde vakanties en van met het eeuwige zonlicht en de fonkelende azuurblauwe zee doordesemde onthechtingsliteratuur. Maar in recente jaren heeft ze weer haar aloude rol van katalysator van de geschiedenis op zich genomen.

Er is onder historici geen overeenstemming over het moment waarop de zee voor het eerst die rol aantoonbaar ging vervullen. Duidelijk is wel dat de meest waarschijnlijke data steeds verder in de tijdsdiepte opschuiven. Fernand Braudel onder andere beschrijft hoe in het tweede millennium voor het begin van de jaartelling de jaarlijkse golfstromen noord- en zuidwaarts de handel tussen Egypte, Kreta, de steden aan de Libanese kust en Mycene mogelijk maakte – dezelfde golfstromen die in onze tijd een volksverhuizing noordwaarts drijven – maar reeds duizenden jaren eerder was Malta een internationaal religieus centrum. En dus zal de zee eerder bevaren zijn. In dat tweede millennium echter komen de handel en uitwisselingen van ideeën tussen de verschillende beschavingen die zich aan de oevers van de Middellandse Zee hebben verzameld tot grote bloei. Na de plotselinge ineenstorting van die cosmopolitische wereld rond 1200 v. Chr., zal deze periode door de latere Klassieken herinnerd worden als een Gouden Tijd. Geboortegrond van de Illias en Odyssee. Net als bij haar opkomst was de zee ook bij de ondergang van deze wereld betrokken. Het einde kwam van over het water.

 

“Vader, de vijandelijke schepen zijn gekomen. Ze hebben mijn steden in brand gezet en het land schade toegebracht.”

Kleitablet van het hof van Ugarit aan de koning van Cyprus (±1207-1192 v. Chr.)

 

Over wie deze volkeren waren, of ze wanhopig of slechts opportunistisch, radeloos dan wel gewetenloos waren is zo goed als niets bekend. Een combinatie van verschillende factoren lijkt het waarschijnlijkst. Wat we weten is dat ze door de zee naar de kusten werden gedreven. Een blijvende herinnering aan de kwetsbaarheid van onverwoestbaar lijkende sociale structuren, en aan de scheppende en vernietigende kracht van deze reusachtige zee-machine.

In 2018 is Palermo Culturele Hoofdstad van Europa. Deze gebeurtenis impliceert volgens de burgermeester, Leoluca Orlando, eerder een dan een reeks evenementen, de gedachte daarachter. Een visie op de kunst is een visie op het heden. Een nieuw cultureel paradigma dat op innovatie en gastvrijheid is gestoeld. Omhels de zogenaamde problemen en bewaak wat goed is. Dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan in een stad die zich terzelfdertijd ook nog aan de verstikkende greep van de Mafia probeert te ontworstelen. Maar temidden van alle bittere compromissen aan de ene- en paniekverhalen aan de andere zijde, is het een positief en inspirerend geluid. Dat de kunst daarbij niet als schaamlap, maar als trotse vlag wordt gehanteerd past binnen dat geluid, en kan men alleen maar toejuichen. Zonder kunst geen geschiedenis. Zonder kunst ook geen toekomst.

De bezoeker ondertussen verdwaald zich de eerste dagen een hernia en blaren op zijn voeten om de verschillende locaties in deze doolhofachtige stad te vinden. Alsof er een bizar soort ‘dropping’ heeft plaatsgevonden zie je overal mensen met badges om hun nek jongleren met de door de organisatie geleverde plattegrond en volgens een bezwerende choreografie met hun Google maps het Noorden proberen te vinden. Wat ze zoeken kan zich bevinden een oude schuilkerk, op de markt tussen de vis, in een opslag voor stoffen, in een voormalig overheidsgebouw, in een parkje. Het getoonde bestaat over het algemeen uit kunst met een verhaal. Met een vaak zeer lang verhaal. Het ‘proces’ uitvoerig gedocumenteerd.

In gezelschap van een museumdirecteur en een curatrice beklim ik de trappen van het volgende leegstaande fabriekspand. De bekende post-industriële stijl van ruwhouten vloeren, noestig metselwerk en hier en daar een onverplaatsbaar gietijzeren overblijfsel van een machine waarvan niemand meer weet hoe die werkte, dat alles bijeengehouden door een futuristisch trappenhuis en zoemende lift.

In de eerste ruimte hangen quilt-achtige vlaggen, soms met, soms zonder slogan. In een verre hoek voeren een aantal op de muur geplakte naïef surrealistische tekeningen een hopeloze strijd met de omgeving. In de volgende ruimte een op de vloer geprojecteerde kaart van de middellandse zee, en aan de muren een vijftigtal ingelijste en door het water aangevreten officiële documenten. In laatste zaal staan een stuk of twintig lege olievaten. Op de bodem van elk vat een oude Nokia telefoon waaruit zoemende krakerige geluiden komen. Het klinkt als een mechanisch wespennest dat eeuwig aan het stemmen is. Op een tafel bij de muur een ordner met een paar honderd documenten in plastic hoesjes. “Best mooi,” zegt ik tegen de curatrice die me een beetje op haar hoede aankijkt. “Het geluid,” verduidelijk ik. “Zou zo maar Stockhausen kunnen zijn.” Ze knikt en loopt naar de tafel met de ordner. Waarin het verslag van de pogingen van de kunstenaar om van de Tunesische autoriteiten een uitvoervergunning voor dit kunstwerk te krijgen. Het eerste moderne kunstwerk ooit waarvoor zo’n vergunning werd aangevraagd in Tunesië.

Denkend aan dat artikel in de Guardian vraag ik me af of dit soort kunst met een verhaal te vervalsen zou zijn. En kom tot de conclusie dat zoiets lastig gaat worden. Niet omdat het zo verschrikkelijk knap gemaakt is, maar juist omdat voor de uitvoering ervan geen enkel artistiek talent nodig is. In een aantal gevallen kun je zelfs stellen dat de kunstenaar een overbodige stap is. Wie het bedenkt kan het laten uitvoeren. En waarom ook niet? Het zogenaamde auteurschap heeft naast naamsbekendheid voor enkelen, veel anderen frustratie en miskenning gebracht. Het kunstenaarschap, bedoel ik maar, is niet iets waar je blijmoedig voor kiest. Ook is het niet een instrument om een interessant sociaal leven op te bouwen. Dat sociale leven is voor de anderen. De bezoekers van de dierentuin van jouw ziel. Jouw taak is om de verschillende kooien en zwemvijvers te vullen.

Ik bestudeer het kijkgedrag- en de snelheid van bewegen van de museumdirecteur. Dit is toch meer hun wereld dan de mijne. Hoe snel durven ze door de zalen te gaan? Hoeveel kun je werkelijk opnemen?

Naast het hoofdprogramma van zo’n 47 tentoonstellingen zijn er nog talloze performances, lezingen, rondleidingen en voorstellingen. Tevens blijkt de Manifesta een magneet voor andere kunstenaars-initiatieven en galeries die in de slipstream van het officiële programma hun werken tonen. Meer dan 1000 evenementen in totaal.

Je kunt je af vragen wat het nut is van deze veelheid. Wordt hier een artistiek of een politiek doel nagejaagd? Waar trek je een grens? Zou het een groot verschil hebben uitgemaakt wanneer er vijf tentoonstellingen minder waren geweest? Of tien of twintig? Vertellen alle werken bij elkaar een verhaal waarvan de losse onderdelen onmisbaar zijn? Of ontneemt de veelheid juist het zicht op de kern? En is die kern er wel? En is die kern wel van kunst gemaakt?

De sociale dynamiek van de Manifesta doet in de verte denken aan een succesvolle jacht op de Savanne. De jagers die het beest vingen hebben de eerste keus. Vervolgens de grotere aasdieren en vogels en tenslotte de kleine alleseters die het karkas tot op het bot afkluiven. Maar wat is, in het geval van de Manifesta, de naam van het wild? Wat werd er gevangen en welke honger werd gestild?

Ongetwijfeld oordeel ik te hard- of zwijg ik zelfs volkomen over kunstenaars en werken die de geïnteresseerde aandacht verdienen. Die grote berg zeezout in dat oude Moorse paleis bijvoorbeeld. Bezoekers konden een zakje ervan meenemen, wat een drietal oudere Amerikaanse dames graag deed. Het zag er mooi uit op de foto. Het was alsof het zout licht gaf. Het betekende iets. In de volgende zaal losjes in de ruimte geplaatste videoschermen. Met daarop interviews met Afrikaanse mensen, en mooi grafische beelden van een radar en nachtkijkers. Ik moet denken aan de Zuil van Trajanus. Hoe verbeeldt je een geopolitieke crisis?

De route langs alle interventies en installaties is uitputtend en krijgt op de tweede dag iets van een zelfkastijding. Men moet en wil, dwalend en zwetend, boete doen voor een onwaarschijnlijk leven gevuld met gesprekken over het immateriële, terwijl men zich over de maandelijkse huur geen zorgen hoeft te maken.

Ik bezoek een paar kerken. Vooral zij die in de 17-de en 18-de eeuw nog eens goed onder handen zijn genomen hebben wel iets van een mini-Manifesta. Werkelijk geen hoekje is onaangeraakt, geen zuil is niet van onder tot boven beschilderd, en in iedere nis een nieuw tafereel in marmer en olieverf. Je hoeft geen psychologie te hebben gestudeerd om hierin een flink stuk overcompensatie in te zien. Waarvoor was men bang? Een marmeren tafeltje is prachtig ingelegd met gekleurde steen, en toont een onwerkelijk realistisch stilleven van zeevruchten. Driehonderd jaar geleden gemaakt door god weet wie.

Buiten raast het leven door. Het is zondag, en er wordt flink getrouwd. Scorcese-achtige toestanden. Knappe jongens in zwarte pakken. Mooie meisjes in uitzinnige jurken. Een orkest van oude mannetjes. Rijst die door de lucht vliegt. Een paar Manifestagangers, herkenbaar aan hun badges en roodverbrande huid, kijken vanaf de overkant van de straat toe.

Nadat ik me heb opgefrist wandel ik richting het hoofdkantoor. Daar vindt in de centrale aula een lezing plaats van een sympathieke Engelse Professor musicologie van de universiteit van Napels. Ik val midden in zijn betoog waarin hij de Middellandse Zee als ‘soundmachine’ typeert. En hoe de hele wereld sinds de elektronische geluidsopname een soort soundmachine is. Zo legt hij een verband tussen de modulaties van John Coltrane en de zang van Oum Khaltoum. Een clipje wordt gedraaid. Het publiek in de aula wordt drie minuten lang betoverd door Oum Khaltoum in zwart-wit.

 

Ik realiseer me dat ik niet de juiste persoon ben om de werken op deze nomadische biënnale te beoordelen of te duiden. En ik neem mijn hoed voor mensen die dat wel kunnen. Ik betrap mezelf er op dat mijn aandacht wordt afgeleid door randverschijnselen. Hoe de plaatselijke bevolking deze culturele invasie met een zekere onverschilligheid verwerkt. Men heeft onder het regime van de Mafia geleerd zaken die zich voor de neus afspelen niet te zien. Ik ben gefascineerd door dit half-vrije, half-gedresseerde bewegen van al die culturele mensen. Hoe ze naar elkaar kijken. Hoe ik bekeken wordt.

Het lijkt heel wat wanneer we met z’n allen op het plein voor het hoofdkantoor staan, maar bij elkaar zullen het niet meer dan 1000 mensen zijn die het openingsweekend bezoeken. En die elkaar op hun dwaaltochten steeds weer tegenkomen. Er is een harde kern van vaste Manifestagangers, die naast de kunst toch vooral ook komen om oude vrienden te ontmoeten. Zij die geen dwingende verplichtingen hebben melden vaak dat ze “er nog een paar daagjes aan vastplakken”. De cultureel meest serieuze groep kwam naar Palermo via Basel, waar de jaarlijkse kunstbeurs was. “Basel was werk, dit is netwerk,” zegt de museumdirecteur.

Bij de veiligheidscontrole voor de ingang van het plein waar de openingsceremonie wordt gehouden raak ik in gesprek met Paula Manfredi. Reisredacteur voor de Milanese Fanity Fair. Ze is hier om verslag te doen van de Manifesta en Palermo als reisbestemming. Noord en Zuid Italië liggen heel ver uit elkaar, legt ze uit. Niet alleen geografisch, maar ook mentaal. Ze vindt Palermo, waar ze zelf voor het eerst in haar leven is, “very interesting.”

“Do you know Fanity Fair?”

“Do I know!? It is one of my favorite books.”

Toevallig was ik net vorige week weer aan Thackery begonnen, maar door gebrek aan tijd en concentratie nog voor pagina 100 blijven steken.

“You make a joke.”

“Not al all.”

Dan vraag ik haar, aangezien ze uit Milaan komt, of ze toevallig bekend is met het werk van Dino Buzzati. Ze kijkt me quasi verontwaardigd aan.

“How could I not know Dino Buzzati?”

“You make a joke.”

“Not at all.”

Ze kent hem als de schrijver van romans, korte verhalen en sport- en reisverslagen. Ze is minder bekend met zijn beeldende werk. Ik vertel haar dat ik sinds enkele jaren, steeds wanneer ik in Italië ben, boeken van Buzzati probeer te vinden. En er al vele heb gekocht terwijl ik geen Italiaans lees.

“Why are you so interested in him? It must be something personal.”

Paula Manfredi slaat de spijker op z’n kop. Het is persoonlijk. En het begon met zijn tekeningen. Die ik voor het eerst zag in een boekje dat ik vijftien jaar geleden kocht en kort daarop weer kwijt raakte. Een bizarre, modern surrealistische hervertelling en verbeelding van Orfeo en Euredice. Ongelooflijk frisse, brutale en desalniettemin ongeremd poëtische tekeningen. Ik dacht: “Dat kan ik veel beter. Wat een onbenullige tekeningen.” En ik dacht terzelfdertijd: “Dit overtref ik nooit.” Boek kwijt maar zijn naam bleef hangen. Uit pure heimwee begon ik zijn andere boeken te verzamelen, flarden van informatie over de man en zijn leven te verzamelen.

“So he made these amazing images, wrote visionairy novels, conversed with the likes of Yves Klein and Federico Fellini, wrote about cycling and mountenairing, and beside all that allways looked very suave and smartly dressed.”

De magische scanner van de bewaker gleed langs mijn lichaam. Paula Mafredi keek me glimlachend aan: “So what do you do?”

 

Het fundament van wat ooit een huis was doet dienst als bankje voor de vele bezoekers die zich rondom het hoofdkwartier van de organisatie ophouden. Naast mij zit een blijmoedig ogende jongeman, met een kruis en Egyptisch levensteken om zijn nek. Een opvallende Assyrische baard en een gouden soulbril met gekleurd glazen uit 1974 op zijn neus. De eerste vraag is meestal of je bezoeker, deelnemer, of iemand van de organisatie bent. Matyas Chochola komt uit Praag. Tijdens de voorgaande Manifesta in Zurich was hij deelnemend kunstenaar. Nu is hij op bezoek. Om kunst kijken en oude vrienden terug te zien. Manifesta begrijp ik, is voor hem een experience. Een onderdompeling in mensen en ideeën.

“So what did you make in Zurich?”

Zijn gezicht begint te stralen en met enthousiaste gebaren vertelt hij dat hij en de organisatie met wie hij werkte gedurende één dag alle poep van Zurich verzamelde, die vervolgens vriesdroogde en tentoonstelde. “It was great!”

Ik merk op dat zo een idee in de context van Palermo iets heel anders zou betekenen.

Matyas knikt bevestigend: ”Here, it would mean nothing at all.”

Dat hij gelijk heeft staat wel vast, hoewel ik niet precies zou kunnen uitleggen waarom. We spreken over de oneerlijke concurrentie tussen de historische stad Palermo en de actuele kunst. Hoe te midden van deze eeuwen geschiedenis nog iets urgents te poneren? Ik vertel hem over Oum Kahltoum die ik zojuist hoorde en die mij en de hele zaal, 60 jaar na dato muisstil kreeg en kippevel bezorgde. Matyas knikt: “Only music can win that batlle.”

Tijdens de openingsceremonie biedt het podium een vertrouwd vreemde aanblik. In het midden twee rijen van acht stoelen gevuld met blanke mannen van middelbare leeftijd in pak, en één vrouw, aan beide zijden geflankeerd door donkere Afrikaanse muzikanten in traditionele kleding. In de zomer van 2018 kun je, in Palermo, niet om de actuele problematiek van de hedendaagse volksverhuizingen en de spanningen die dat geeft heen. Toch vraag ik me af, kijkend naar dat alle goede bedoelingen ten spijt toch best wel genante podiumbeeld, of de kunst het beste medium is om die thematiek te agenderen. Uiteraard zal een ieder die zich persoonlijk en artistiek verdiept in deze uitzichtloze problematiek zich daarbij betrokken gaan voelen. Maar betrokkenheid alleen is niet de oplossing, ofschoon we natuurlijk – daar hebt u ook weer een punt – ergens moeten beginnen.

De zanger van de band is een uitstekende showman die het publiek tot meeklappen- en zingen weet te bewegen. Ook de achtergrondzangeressen doen hun werk voorbeeldig. Maar mijn aandacht wordt getrokken door de knappe bespeler van een snaarinstrument dat aan een kalebas is bevestigd en dat vertikaal voor hem is geplaatst. Alsof hij een rug masseert zo dansen zijn vingers over de snaren, en bespeelt hij niet alleen het instrument, maar ook zichzelf.

Het lijkt plotseling heel lang geleden dat ik een kunstenaar zag die iets heel goed kan, zonder dat-ie daar een verhaal of een stapel kopieën in een dossiermap voor nodig heeft. Kijkend met mijn oren en luisterend met mijn ogen verdwijn ik een tiental gelukzalige minuten door het raam dat deze muzikant heeft opengegooid. Zuurstof!

Na de muziek volgen verschillende welkomswoorden. Vele mensen worden bedankt. Er heerst een sfeer van broederlijkheid. Wij kwetsbare culturele types zijn eigenlijk de kern van de zaak. Dit is waar het mens-zijn feitelijk om draait.

Uiteraard heeft iedereen daar op het podium zijn eigen agenda. De muzikanten moeten leven, de burgemeester zoekt steun en legitimatie voor zijn politieke beleid, de Nederlandse ambassadeur laat de kans niet voorbij gaan om te wijzen op de warme relaties die er bestaan tussen het koningshuis en Italië, en de directrice van de Manifesta staat daar natuurlijk ook voor zichzelf en haar organisatie.

Dan gebeurt er iets dat al mijn twijfel en achterdocht doet verdwijnen. De burgemeester van Palermo neemt het woord. Zonder spiekbriefje stort deze geoefende en flamboyante spreker zijn woorden uit over het publiek van voornamelijk niet Italiaans sprekende bezoekers. Ook ik versta maar een kwart van wat hij zegt, maar ik denk alles te begrijpen. Misschien is het niet verstaan zelfs debet aan het begrip. Want daardoor luister ik naar de burgemeester zoals ik naar die muzikant luisterde. Hij schetst de positie van Palermo in een breed historisch en geografisch perspectief. Houdt een pleidooi voor de kracht van diversiteit. Zonder welke Palermo niet zou hebben bestaan. Schetst een toekomst waarin Palermo niet meer The Capital of Mafia, maar The Capital of Culture is. Het is allemaal waar en nobel, maar dat is tenslotte niet waar het echt om gaat. Het gewicht van zijn betoog zit in de overtuiging van zijn stem en de perfecte timing waarmee hij het publiek opzweept. Of ze hem verstaan is niet van belang. Hier is een politicus bezig die zichzelf met verve speelt. Een kunstenaar eigenlijk, die daar staat omdat hij niet anders kan, en waarvan je niet de bijsluiter hoeft te lezen om zijn werking te begrijpen. Jawel, we zijn naïef en we leven misschien buiten de werkelijkheid; maar als wij er niet in geloven, wie dan wel?

 

De dag na de opening probeer ik in alle vroegte aan de Manifesta te ontsnappen met een bezoek aan het archeologisch en oudheidkundig museum. Ik verheug me op de nabijheid van Etruskische grafschriften. Maar als ik mijn toegangskaart wil betalen ziet de cassière in mijn portefeuille de Manifestabadge en zegt dat het gratis is.

“At ten o’clock we have a Manifesto opening.”

Damn!

De medewerkster van het museum komt me een paar minuten later achterna om me een brochure over het museum en de tentoonstelling te overhandigen. Op een marmeren bankje niet ver van ons zit een frêle vrouw in een elegante terracottakleurige jurk. Ze heeft mooie schoenen aan en houdt een zakje met ijsklontjes tegen haar achterhoofd.

Ik vraag half komisch of deze vrouw misschien deel uitmaakt van de tentoonstelling. De medewerkster schiet in de lach, maar herstelt zich snel en kijkt me dan ernstig aan. “That is the curator of the show.”

Ze stelt zich voor. Chiusi Diana. Ze heeft net haar hoofd gestoten tegen een marmeren hoef van een Grieks paard. Ik complimenteer haar met de tentoonstelling. Die er een is die ik tenminste direct begrijp. Tussen de talloze munten, olielampjes, devotiebeeldjes, kammen, haarspelden en vazen staan hier en daar ruw geboetseerde gnomen en demonen van de Russische kunstenaar Evgeny Antufiev. Meer dan een commentaar is zijn bijdrage de voortzetting van een traditie. Maar waar de oude bewoners van Palermo de materie gebruikten om hun goden gestalte te geven, daar moet de moderne mens zoals Evgeny in die materie zijn goden nog zien te vinden. Als Chiusi vertelt dat ze naast haar werk als curatrice en beschouwer ook nog een artist-recidency in Agrigento aan het opzetten is neemt het gesprek een vlucht terwijl we verhalen uitwisselen over de 20.000 Carthaagse krijgsgevangen die bij de constructie van het Griekse tempelcomplex omkwamen en over het exentrieke deel van de Britse aristocratie dat in de jaren ‘1920 het historische landschap met post-impressionistische toets vastlegde, en hoe beide verhalen zich op een bepaalde wijze tot elkaar verhouden.

Dromend van een filmische samensmeding die ik tijdens een residency van deze verschillende tijden zou kunnen maken – een ziekelijke maar zeer knappe Engelse barones die verliefd wordt op een Carthaagse slaaf terwijl ze zijn portret schildert – verlaat ik het museum en koop bij een Pakistaanse marktkoopman een schoudertas.

Heel Palermo, en heel Sicilië for that matter – is een reeds drieduizend jaar durende Manifesta. De kunst van het ‘aankleden van de openbare ruimte’ hoef je de Italianen niet te leren. En helemaal niet als ze naast hun Italiaan-zijn ook nog in God geloven. Als je in het Oratorio de Santa Cita te midden van de je van alle kanten aanstarende cherubijnen loopt, dan weet je eigenlijk niet wat je er van moet denken. Althans, dat had ik dan. Ik dacht voornamelijk: wat een werk, wat een waanzin, jammer dat het niet een beter doel diende dan bijgeloof, en wat knap gemaakt.

Inmiddels weet ik dat ik die plek nooit meer zal vergeten. En ik ben er in gedachten reeds regelmatig teruggekeerd. Of beter gezegd: de plek is teruggekeerd naar mij. In mijn hoofd. Ik stond in die ruimte, en nu staat die ruimte in mij. Deze relatief kleine kapel, die langs alle zijden uitbundig gedecoreerd is met hemelse taferelen en talloze figuren die allemaal naar beneden kijken, in de richting van het publiek of de bezoeker is, realiseer ik me 1500 kilometer verderop, een soort mentale MRI scan. Ook heeft het idee ervan iets te maken met VR. De kracht van de plek wordt daarnaast in belangrijke mate bepaald door de overgave, het talent, de ambitie en de tijd die in de productie ervan werd gestoken. En dat het nergens anders over gaat dan de mens herinneren aan zijn mens-zijn.

Ik verliet de kapel, groette de receptioniste, besloot me niet te sieren met geleende kennis door een van de vele boeken over de kapel te kopen (van welke geestelijke zuiverheid ik nu uiteraard spijt heb), en wandelde door het Normandische binnenhof de stille straat op. Het was half twaalf en 28 graden. De dag had iets in zich dat niet meer stuk kon. In de smalle schaduwrijke straatjes wemelde het van de Italiaanse filmscènes. Een man met dikke buik en korte broek wierp grote stukken vlees op een geïmproviseerde barbecue. Blauwe rook onttrok hem bijwijlen aan het zicht. Een dik jongetje van 12 op een scooter leverde een pakketje af. Schreeuwde iets naar boven. Een oude man met strooien hoed stapte uit een zeer oude Fiat met in zijn handen tien kartonnetjes eieren van buiten de stad. Hij werd lachend begroet door een drietal kaartende twintigers die aan een wiebelig tafeltje zaten en bier dronken.

Even snel als ik er in stapte, verdwijn ik weer uit deze film als ik een hoek omsla en een keurig opgeknapt pleintje betreed dat voor de helft in beslag wordt genomen door het ruime terras van een restaurant. Het terras zit bijna vol. Ik heb honger en het eten ziet er uitstekend uit, maar ik verheug me niet op een maaltijd alleen. Ik heb Alberto gebeld maar die neemt nog niet op. Dan zie ik de twee curatrices die ik de vorige dag sprak. Ik nodig mezelf uit en mag aanschuiven. Daarna gebeurt waarvan je hoopt en eigenlijk ook wel mag verwachten dat het je tenminste één keer tijdens je bezoek aan Italië overkomt: het eten tart elke verbeelding. Licht gegrilde opgerolde sardientjes, gevuld met een boterzachte met sinasappelschil en laurier gemarineerde risotto. Een pasta met zwaardvis waarover niets anders te zeggen valt dan dat-ie perfect was van smaak en textuur en waarvan de allerlaatste hap met voorsprong de meest smakelijke was. Ondertussen babbelden we over kunst, de Manifesta, Palermo en het leven. Met dat laatste was op dit eigenste moment helemaal niets mis, concludeerde ik terwijl ik tevreden neuriënd in mijn machiato roerde.

“Het kunstenaarschap,” dacht ik terwijl ik na afscheid te hebben genomen weer terug de Italiaanse filmset opliep, “Gaat er voornamelijk om hoe je je leven vormgeeft. Hoe blijf je zuiver? Want dat is essentieel. Je kunt lullen wat je wilt over ‘maatschappelijk belang’ en creatieve industrie: als de heiligheid en het roekeloze en onberedeneerde uit de kunst is hou je niets over. Hoe zorg je er kortom voor dat je niet enkel de decorateur van andermans luchtkasteel wordt?”

Ik ben dan wel tijdelijk in dienst van de Nederlandse staat als consulent van het filmisch experimentele deel van de natie, en ik doe dat met overtuiging en beleving en naar ik hoop vruchtbare gedienstigheid, maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat mijn voornaamste doel is om ook van deze bezigheid kunst te maken, en ik het niet los kan zien van een oeuvre dat weliswaar alle kanten opschiet maar ook, begrijp ik nu opeens, in zichzelf een soort innerlijke Manifesta is.

 

Op de trap van de Via Venezia wacht ik op Alberto die me telefonisch meldde dat hij juist wakker is en dus nog moet ontbijten.

“Ik zie je over tien minuten.”

Het verkeer op de lange Via Roma raast, gedirigeert daar een reeks van stoplichten, met het ritme van een trage branding voorbij.

De gedachte van een innerlijke Manifesta laat me niet los. De voortdurende tentoonstelling in mijn hoofd die mijn zogenaamde individualiteit en identiteit bepaald. De losse delen die ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken hebben maar toch thematisch verbonden zijn. Alleen, wat is het thema van deze persoon? Wat komt er in het persbericht? Meest vermakelijk aan deze gedachte zijn de dwaaltochten in mijn hoofd van de bezoekers, en hun gehannes met de plattegrond in smalle straatjes, de ogen hongerig op zoek naar een herkenningspunt.

Alberto komt aanlopen met om hem heen als altijd een waas van Italiaanse cinema. Hij is een karakter en toch zichzelf. Commedia dell’arte. Dat neemt niet weg dat hij bijzonder scherp en zuiver kan denken. Het is er vermoedelijk zelfs instrumenteel aan. Maar het neemt ook niet weg dat hij een lyrische wellusteling en een romantische gek is. Rusteloos zoekend naar echtheid, naar een plek waar hij een tussenlanding kan maken. Hij kan, zo bekende hij me eens, alleen maar daar wonen waar hij verliefd is.

Ik besluit hem te verbluffen met mijn kennis van Palermo en loods hem door de smalle straatjes terug naar het plein en het restaurant. Het terras zit nog steeds bomvol. En helaas is de keuken reeds gesloten. In het Italiaans en Engels proberen we de Afrikaanse ober te bewegen tot rekkelijkheid. Hij herkent me van een uurtje terug en ja, geeft hij toe, die sardientjes zijn inderdaad sensationeel. Hij loopt naar achteren om het nog eens aan de baas te vragen, maar deze is onvermurwbaar.

Gelaten verplaatsen we ons naar een kleiner restaurantje vijftig meter verderop waar nog plek zat is. We bestellen wijn en eten voor Alberto. Schuin tegenover ons zit een gezelschap van drie personen. Twee opvallend knappe vrouwen van midden twintig, en een veel minder knappe jongen die er vermoedelijk zijn hele leven lang dertienjarig uit zal blijven zien. De vrouwen modieus en duur gekleed. Een slanke oosterse met lange zwarte krullen, en een bleek feërieke blonde.

De donkerharige ging gekleed in een legergroene overall, de blonde droeg een zijden blouse die aan de voorzijde tot onwaarschijnlijke diepte open stond, een bleke en verzorgde naakte huid omlijstend die alles deed vermoeden maar op gekmakende wijze niets liet zien. De donkerharige had iets strijdlustigs. Felle donkere ogen. De blonde oogde delicater en meer in zichzelf verzonken. De trekken van haar gezicht als gevormd door verfijnde verveling. De jongen had iets Frans’ en zijn kleding leek op het eerste gezicht onopvallend, maar was volgens Alberto uiterst modieus. Ook meende hij dat de zonnebril van de blonde vrouw minstens 500 dollar koste. We probeerden ze te categoriseren en kwam al snel uit op een groepje rijkeluis kinderen dat elkaar nog kende van de Internationale School. Een even verwerpelijke als jaloersmakende menssoort. En toch, nog voor hij het zelf wist was Alberto hopeloos verliefd op de donkerharige, terwijl ik me verbeeldde op een meer bij mijn leeftijd passende en welhaast vergeestelijkte manier geïntrigeerd te zijn door de blonde fata morgana.

De dalende zon noopte ons naar een tafeltje te verhuizen dat dichter bij het gezelschap stond zodat we ze, toen zij hun eten geserveerd kregen, een goede maaltijd toe konden wensen waarna we in gesprek raakten en vervolgens besloten de tafels aaneen te schuiven. Dat gebeurde met een soort schanierbeweging. Alsof we door een deur van Sally Dewinter stapten. En zo was het ook. Want door die kleine beweging kwamen we plotsklaps in een andere werkelijkheid terecht.

We hadden het helemaal mis en toch ook weer niet. Cemre, de donkerharige, is een vrij bekende Turkse actrice, en duidelijk een kind van goede afkomst. Haar Engels verraadt een internationale studie. Gilles, de jongensachtige, is modeontwerper, pendelend tussen London en Istanbul, maar geboren in Montreal. Danya, de blonde, is zijn zakelijke assistente en bovendien reeds sinds haar vierde beste vrienden met Gilles.

Ze zijn hier omdat Gilles en Danya na moeten denken over een volgende stap in hun werk. Een nieuwe collectie, een nieuwe strategie. Cemre zit tussen twee filmproducties in. We bespreken bezorgd de politieke ontwikkelingen in Turkije. Cemre werkt toevallig veel met Koerdische regisseurs. Productie van dat soort films is in Turkije zo goed als onmogelijk geworden.

“If you have not seen Istanbul yet, come quickly, because in a few years time it might be a very different place.”

Alberto vertelt over de film die hij gaat maken, over zijn vader en diens oude bende. Noord Italiaanse mafia. In de nevelen van de Povlakte en omstreken. Ons gezelschap vindt het een geweldig verhaal. Ik zie hoe met name de donkerharige actrice Alberto met een onderzoekende blik probeert te doorgronden. Hoeveel van deze man is waar? Ik maak indruk omdat heel even het misverstand ontstaat dat ik autocratisch directeur van het Nederlandse Filmfonds ben en dus de persoonlijke weldoener van het wilde genie Alberto, maar ook als dat is recht gesteld en ik vertel hoe ik vanwege een door mijzelf gecreëerd publicitair misverstand op een flink aantal sites van filmfestivals bekend sta als “geboren in Hawai” kunnen we vaststellen dat we zo bij elkaar een ontzettend leuk gezelschap zijn. Zo’n gezelschap waar ze in Frankrijk nog wel eens films over maken.

Alberto blijft onze nieuwe vrienden verbazen met zijn verhalen over het leven in Columbia, zijn kunstproject over de huurmoordenaar, maar vooral met zijn explosieve wijze van vertellen. In al zijn goedertierenheid richt hij vervolgens de aandacht van het gezelschap op mij. Een groot kunstenaar, volgens Alberto, die gewoon moet creëren omdat hij niet anders kan.

“Altijd maar zit hij dingen te schrijven en te tekenen.”

“Don’t you ever get lonely with your notebook?” vraag Cemre met een blik waarin ik iets van afkeuring meen te lezen. Het schiet door me heen dat Cemre en ik nooit heel goede vrienden zullen worden. Ik kijk haar streng aan en verklaar plechtig dat ik me vaak eenzamer voel wanneer ik van het papier opkijk. Zij weet nu ook dat we nooit goede vrienden zullen worden.

Danya kijkt me verschrikt aan, slaat dan haar ogen neer en zegt met zachte stem dat ze dat gevoel wel herkend. Heel even voel ik mijzelf kopje onder gaan in het tere schaduwspel van haar wimpers. Mijn god! Help me dat ik niet gekmakend verliefd wordt op een vrouw die niet voor mij bestemd is, en die ondanks haar adembenemende verschijning toch ook allerlei onheil, momenten van krankzinnigheid en gezeur doet vermoeden. Alberto kan dat allemaal niets schelen. Hij springt op uit zijn stoel en omhelst me ontroert.

Nee, deze dag kan niet meer stuk.

 

 

In blauwe neonletters

Bezoek aan Maastricht

 

Een week later ben ik op het afscheid van Lex ter Braak als directeur van de Van Eyck Academie. Het doet wat aan de Manifesta denken waar het de samenstelling van het publiek betreft. Een kleine invasie van grootstedelijke cultuurdragers en ambtenaren schaart zich naast een vertegenwoordiging van de Maastrichtse elite. Lex, zoveel wordt uit de toespraken van die zijde duidelijk, hanteerde een andere methode dan men gewend was. Stelde andere eisen. Verwachtte een ander soort betrokkenheid, en was als het moest onverzettelijk. Maar, zo wordt ruiterlijk toegegeven, dat was ook nodig. De Van Eyck heeft in de afgelopen jaren een nieuwe koers en frisse urgentie gevonden. Een op de grotere samenhang der dingen – artistiek, sociologisch en ecologisch – gericht baken van reflectie. Binnen politiek Maastricht heeft dat duidelijk het denken geprikkeld. Zo’n soort plek zou Maastricht ook politiek-geografisch kunnen zijn. Heel noord-west Europa haar Middellandse Zee. Ik herinner me een promotievideo van de gemeente Maastricht die omstreeks de tijd van het Europees verdrag van 1992 werd gemaakt. Het filmpje begon in ergens diep in de ruimte. Zoefde langs de zon en de planeten, vloog met hoge vaart op de aarde af, door de stratosfeer en het wolkendek heen rechtstreeks naar, U raadt het al: De Vrijthof. Iets van die kosmische ambitie is ook de huidige generatie niet vreemd. En geef ze eens ongelijk.

Net als in Palermo positioneert dus ook hier de politiek zich naast de kunst, tijdens een van die schaarse momenten waarop die laatste een zekere machtspositie heeft. Wanneer men er, kort gezegd, niet per se slechter van wordt door zich een sympathisant van het immateriële te tonen.

Lex kwam van buiten en hij was anders, maar inmiddels heeft men hem in het hart gesloten zoals men enkel iemand van buiten in het hart kan sluiten. Het ritueel van dit afscheid doet denken aan de opname van een vreemdeling in een gesloten stam. In Papua wordt de nieuwe loot daartoe symbolisch gezoogd door een oude vrouw, en wordt daarmee kind van de stam. Lex hoeft niet aan de tiet, maar men heeft een stipendium in zijn naam in het leven geroepen, waardoor hij ook in de toekomst tenminste twee maal per jaar in Maastricht zal moeten zijn om de aanmoedigingsprijzen toe te kennen en uit te reiken.

De ganse wereld een theater. En is het toeval dat de tentoonstelling die de vertrekkende directeur voor zijn afscheid in de zalen van de Van Eyck mocht samenstellen over marionetten en poppenspel gaat? Ik vraag me af of Lex, die een kunstenaarsbestaan opofferde aan zaken van algemeen belang, pop danwel bespeler was, en kom tot de conclusie dat hij een pop was die zijn bespelers nauwkeurig uitkoos. Waardoor hij een rol kon spelen die zijn persoonlijkheid geen geweld aan deed, terwijl de bespeler dacht de touwtjes in handen te hebben.

 

Als de rij voor de barbecue eindelijk wat begint in te krimpen schuif ik aan. Ik word gevolg door een man in religieus uniform, en een vrouw van ongeveer onze leeftijd, maar in haar wezen nog steeds 19. Er ontstaat enige verwarring over wie er eerst was, en de religieuze man en ik laten de vrouw voor en zo geraken we in gesprek.

“Uw God werkt snel dezer dagen,” zeg ik. “Zojuist hield ik nog een betoog voor het afschaffen van religie in algemene zin, en direct wordt ik op de hielen gezeten door een priester.”

“De hulpbisschop zelfs,” zegt de hulpbisschop. ”U gelooft niet?”

“Ik heb een levensbeschouwing.”

De hulpbisschop weet daarop niets te zeggen en richt zijn blik op de jeugdige vrouw. “Bent u katholiek?”

Best wel een impertinente vraag eigenlijk, althans om het gesprek mee te beginnen, maar het is natuurlijk de man zijn beroep, en dit is Maastricht, het Palermo aan de Maas. De jeugdige vrouw haalt ongemakkelijk haar schouders op en zegt dat ze 20 jaar in Japan heeft gewoond en het dus allemaal niet meer zo volgt.

“Hoe wordt je eigenlijk hulpbisschop?” vraag ik om de pijnlijke stilte die volgt te verbreken. “Ik bedoel, wat was het moment waarop je ontdekte dat Jezus de weg in het leven was?”

Everardus glimlacht blij. Dit verhaal heeft hij eerder vertelt. Aan zijn armen, schouders en kruin zie ik voor een kort moment touwtjes bevestigd die hem doen bewegen. “Ik wilde eigenlijk technisch ingenieur worden. Heb die studie ook afgemaakt. Maar het vervulde me niet.”

Tussen een priester en een kunstenaar bestaat niet zo’n groot verschil. Het is zoiets als je bewust worden van je sexuele geaardheid. Opeens begrijp je dat je niet anders kan. Everardus vertelt dat hij op een bepaald moment op zijn knieën ging, en tot God bad met de vraag wat Die wilde dat hij met zijn leven deed.

“En plots zag ik, in mijn voorhoofd, twee seconden lang, in blauwe neonletters het woord: “Priester.” En toen wist ik het.”

 

Als we even later met ons bordje op schoot zitten en Everardus met andere Limburgse notabelen in gesprek is geraakt spreken de jeugdige vrouw, die Monique heet, en ik onze verwondering uit over het feit dat God dus toch Nederlands spreekt.

“Ik dacht Latijn, of op z’n minst Engels. Maar Nederlands…”

“In neonletters zelfs,” zegt Monique.

“Misschien was God zelf ook eerst ook eerst technisch ingenieur, alvorens hij God werd. Dat zou in ieder geval Zijn gebruik van die neonletters verklaren,” zeg ik.

“Wat goed dat jij zei dat je niet gelovig was maar een levensbeschouwing hebt. Dat moet ik onthouden. Ik weet nooit wat ik moet zeggen als ze zoiets vragen.”

“En ze vragen het vaak?”

“Altijd. En als eerste zelfs. Je zag het toch? Bent u katholiek? Ze kunnen het nog begrijpen als je zegt dat je moslim of protestant bent.

“Of Duivelsaanbidder…”

“Zelfs dat! Alles beter dan geen geloof. Dat je niet in een hogere macht geloofd, daar kunnen ze met hun verstand niet bij. Maf he?” Ze ziet hetzelfde ook bij bevriende moslims. “Het gaat er gewoon niet in.”

Ze komt uit een streng katholiek gezin. Er was een priester die altijd met hen mee at.

“Elke dag?”

“Elke dag. Hij was er altijd; alleen ‘s avonds ging-ie weer terug naar het klooster.”

“En hij was dan ook een soort vertrouwenspersoon?”

“Jawel, in zijn dromen. Het was een nare man.”

“En kwam dat vaker voor, dat gezinnen een priester in huis namen?”

“O ja hoor, dat was heel gewoon.”

Dit alles dus nog geen dertig jaar geleden.

Vanuit deze achtergrond vertrok Monique. Eerst naar Amsterdam en toen via vele omwegen naar Japan. Waar ze twintig jaar woonde en drie kinderen kreeg. Ze maakte kunst, muziek, theater. Gaf alles en hield er voornamelijk herinneringen aan over. En nu is ze sinds vijf jaar terug. Zorgend voor haar zieke moeder.

“Zoveel omzwervingen, en dan kom je toch weer terug waar je begon.”

Ze grijnst en haar ogen twinkelen: “Ik ben nog niet klaar.”

 

16 Juli 2018

https://www.theguardian.com/news/2018/jun/15/how-to-spot-a-perfect-fake-the-worlds-top-art-forgery-detective

https://www.theguardian.com/artanddesign/2018/jun/20/manifesta-12-review-art-biennale-palermo-video-art-political-statements

 

Dick Tuinder

Leave a Reply