Over de jongen die mij Nabokov liet lezen

Hij was vroeger vaak gepest door de populaire jongens in de klas. Nu was dat minder – we waren immers al bijna 17 – maar hij had er zijn afkeer en angst voor die schreeuwerige en zonder uitzondering sportieve jongens in de klas aan over gehouden. Al dat pesten van vroeger, ingebeeld of niet, had hem schuw en gevoelig gemaakt. Hij had grote zachte ogen met voor een jongen onwerkelijk lange wimpers. Aan die wimpers kleefden makkelijk stille tranen. Omdat ik tekende en daardoor in zijn ogen ook ’anders’ was voelde hij met mij een verwantschap die ik, als ik eerlijk ben, niet volledig kon beantwoorden. Ik stond bovendien op het punt om de provinciestad te verlaten en dus niet in de stemming om nieuwe vriendschappen aan te gaan. Ik ging met hem om, maar met een zekere afstand.

We woonden ongeveer in dezelfde wijk aan de rand van het stadje en op een avond liepen we samen op. Op de plek waar hij links en ik rechts moest bleef hij staan. Een bekentenis, alsof het een groot geheim was, volgde. Dat hij zich niet thuis voelde in de wereld. Dat hij de andere mensen op onze school zo verschrikkelijk vond. Zo hard en zielloos. Misselijk en met kramp in zijn maag ging hij elke ochtend van huis. De tranen klampten zich vast aan die lange wimpers. Ik wilde vluchten, maar zijn ogen namen me in een wurggreep. “En ik heb soms het gevoel dat jij de enige bent die mij begrijpt.”
Nu voelde ik een soort misselijkheid opkomen. Natuurlijk begreep ik hem. Maar een kenmerk van zielige mensen is dat ze liever niet met elkaar geassocieerd willen worden. Ik begreep hem best, maar niet op de wijze waarop ik mijzelf wilde begrijpen. Bovendien, met mijn eigen leed viel het wel mee, want ik kon tekenen, en dat maakte me in zekere zin onkwetsbaar voor de spot van anderen. Erwin voelde hetzelfde als ik, maar het talent dat hij had was ontmand door zijn zeer ernstige verlegenheid.

Ik vertrok een jaar eerder dan hij om naar de kunstacademie te gaan. Een jaar later vertrok hij ook. Tot ieders verrassing naar de Zeevaartschool. Uit wat ik in hapjes en brokjes meekreeg leek het goed met hem te gaan. Hij had een leuke vriendin die ook op de grote vaart wilde. Hij was fysiek gegroeid en oogde sterker en rustiger. Halverwege dat jaar kwam hij op bezoek. Op zijn initiatief. Hij wilde graag de kunstacademie zien.We hadden elkaar nooit langer dan een paar uur gesproken en een volle dag in zijn adorerende aanwezigheid putte me uit.
Ofschoon hij zijn leven op orde leek te hebben sprak hij over zijn geluk alsof het van iemand anders was. Hij had, vond ik, een naïef beeld van mijn leven als aspirant-kunstenaar. Ik had inmiddels het een en ander opgestoken van alcoholische en met jonge studentes rotzooiende docenten op de kunstacademie: “Zo leuk is het allemaal niet, dat kunstenaarschap.” Hij wilde het niet geloven. Ik voelde me bekeken en ten onrechte bewonderd. Vermoedelijk heb ik aan het eind van de dag een smoes verzonnen om van hem af te zijn.
Een week later stuurde hij een brief waarin hij nogmaals schreef hoezeer hij genoten had van het bezoek. De strekking van het schrijven was dat ik deed wat hij had willen doen. Ik las de brief – in een onbeholpen en slechts met moeite te ontcijferen handschrift– gehaast en geïrriteerd.
Weer een week later werd ik gebeld met de mededeling dat hij een eind aan zijn leven had gemaakt door zichzelf, in de slaapzaal van het opleidingsinstituut, aan een verwarmingsbuis op te hangen. Toen ik enkele dagen later aan de vooravond van zijn begrafenis samen met een gemeenschappelijke vriend – op een ongemakkelijke manier schuldbewust – bij zijn ouderlijk huis aanbelde deed zijn moeder open. Ze zag ons staan en verbleekte. Het eerste wat ze zei was: “Hij heeft het zelf gedaan jongens.”
Alsof ze de schuld, die wij ook voelden, direct wilde wegpoetsen. Maar het was een nare vlek. Zo een die alleen maar groter en opzichtiger wordt als je hem probeert weg te wrijven. Het was een klein, schemerig arbeidershuisje waar wij binnen stapten. Het rook er naar aardappelen en bedorven tabak. De toekomst had zich er reeds jaren geleden uit de voeten gemaakt. Toen we in de huiskamer zaten kreeg ik een tekening in handen geduwd. Die had Erwin gemaakt na het bezoek aan mij en de kunstacademie. Het waren tralies die vrij zweefden in een sterrenhemel en die vanaf de denkbeeldige binnenzijde omklemd werden door twee vuisten. Er stond een tekst bij: “Help me!” Ik herinner me tot mijn schaamte dat ik de tekening ondanks haar ernstige boodschap slordig en gehaast vond. Zijn moeder keek naar mij en naar de tekening. Ze leek de betekenis ervan niet te kunnen of willen doorgronden.
“Hij wilde iets uitdrukken denk ik,” zei ze voorzichtig.
Ik knikte en staarde zo lang ik kon naar de tekening. Inwendig was ik woedend op die looser. “Hij was een gevoelige jongen,” zei ik tenslotte.
Daar moest zijn moeder om huilen uiteraard. En uit haar tranen maakten we op dat ze liever een iets minder gevoelige zoon had gehad. Hij was haar enige kind. Ze liet nog een agenda zien waaruit bleek dat de zelfmoord reeds een half jaar van tevoren was gepland. De datum was dezelfde als die van de gedoemde zanger Ian Curtis. Zijn bezoek aan mij in Amsterdam was een afscheidsbezoek geweest.
Op de begrafenis werd een lang nummer van Joy Division gedraaid.

Het was deze zelfde Erwin van wie ik een jaar eerder op mijn zeventiende verjaardag het boek Masjenka van Nabokov kreeg. Omdat hij ergens had gelezen dat dat een interessante schrijver was ‘waarmee ik misschien wel iets kon.”
Nu moet u weten dat er in die kleine provinciestad niet zo heel veel mensen waren die Nabokov kenden, laat staan er een boek van kochten. Maar hij, de jongen die de wanhopige moed had nog voor zijn twintigste een eind aan zijn leven te maken, dus wel. Datzelfde boekje staat nu, ruim dertig jaar later, nog steeds in de boekenkast tussen het inmiddels zo goed als complete oeuvre van Vladimir. Voor altijd verbonden met die lange wimpers waaraan zo makkelijk tranen bleven hangen.

Dick Tuinder

Leave a Reply