Half van ons afgewend

13533193_10208695248312347_1543098858711804657_n

Henk Hofland in de Groene Amsterdammer

 

1 Mei 2016 zat ik op een terras op het Spui na te denken over een portret dat ik van Hannah Arendt moest maken. Vroeger was het altijd beter weer. Zo ook nu. De zon scheen. Toeristen liepen in korte broek. Na enige tijd zag ik vanaf de boekwinkel aan de overkant van het terras Henk Hofland aan komen schuifelen. Aan de arm van zijn vrouw. Hij werd in de kolommen van de Groene reeds af en toe gemist. Er werd gemeld dat hij ziek was. Ik had hem in de afgelopen jaren regelmatig op bijeenkomsten van de Groene gezien, maar nooit aangesproken. Een zekere schuchterheid weerhield me daar steeds van. Maar vaak dacht ik er aan dat ik hem toch eens moest zeggen van: ‘te gek dat u bestaat’ of zoiets.
Het echtpaar kwam naderbij, keek zoekend het terras af. Ik volgde hun blik. Naast mij waren als in een filmische scene twee stoelen vrij. Ik gebaarde: ”Meneer Hofland, U kunt hier zitten.”
Ze namen plaats en voor alle duidelijkheid liet ik er op volgen dat we voor hetzelfde blad werkten. Hij knikte.
“Ik moet u nog altijd een keer zeggen dat ik u graag lees en een, nou ja, bewonderaar ben van uw stijl. In leven en werk.”
Hij knikte nog eens: “Ik ook van de jouwe, jongen.”
“U was ziek las ik.”
Samen met zijn echtgenote vertelde hij het verhaal. Een paar weken daarvoor had hij plotseling zijn zicht verloren. Nu, met de nieuwe pillen, ging het weer wat beter.
“Goh, niets meer zien. Hoe ervoer u dat?” vroeg ik dom.
Hij keek me vrolijk aan. “Ja, wat denk je? Klote natuurlijk. Ik vond er niks aan.”
Maar wat hem het meest stoorde was de vermoeidheid. Het nog wel willen, maar niet meer kunnen en ja, dus tenslotte niet meer willen.
“Toch, je kunt niet zeggen dat u stil hebt gezeten tijdens uw leven.”
Pretoogjes terwijl hij een sigaret opstak. “Nee, dat zeker niet.”
We spraken over een leven starend naar papier en beeldscherm. En ik zei dat ik me wel eens afvroeg in welke werkelijkheid mijn leven zich eigenlijk afspeelde. In de wereld, maar ook daarbuiten.
Hij nam me op en ik zag dat ik nog niet half wist waar ik het over had: “Wat denk je van mij?” zei hij met een glimlachje. “Ik heb voornamelijk in mijn hoofd geleefd.”
Om dat te illustreren vertelde mevrouw Hofland over de twee koffers die meegingen op vakantie. Eentje voor de kleren en de meest noodzakelijke spullen. “En die tweede koffer die noem ik het Kantoortje van Henk. Daar zitten al zijn schrijfspullen in.”
“Er wordt goed voor u gezorgd,” zei ik tegen de oude schrijver.
“Oh zeker.”
We hadden nog langer kunnen praten, maar toch nam ik na twintig minuten afscheid met de smoes dat ik nog een andere afspraak had. Want ik kon natuurlijk niet in de toekomst kijken, maar om de gehele scene hing een sfeer van de laatste dingen. Nog één keer naar het Spui. Dan wil je niet urenlang door een jonkie van 52 worden lastig gevallen. Door de Spui straat terug naar huis en atelier lopend kwam onwillekeurig de gedachte in me op dat als hij zou overlijden, ik wellicht een tekening van hem zou moeten maken.
En zo ging het dus ook iets meer dan een maand later.

Hij had natuurlijk een prachtig hoofd maar ik koos ervoor hem te portretteren als de toeschouwer,  met zijn blik naar de wereld gericht. In de voorgrond zien we Rotterdam, na het bombardement van 1940. In de verte zijn geliefde New York.

Hofland layout portret klein

Dick Tuinder

Leave a Reply