BEUKENLAAN 42

Bianca ving de sneetjes op die uit de broodrooster sprongen en smeerde er een voor Kees met appelstroop. En wel op zo’n manier dat Kees, terwijl hij met verbazing kennis nam van de inhoud van de brief die zojuist bezorgd was, onwillekeurig moest denken aan een langvergeten droom om percussionist te worden in een salsaband.

Aan het eind van de brief gekomen draaide hij het papier om en staarde streng richting de eindeloosheid van de blanco achterzijde. Alsof die onbeschreven zijde medeplichtig was aan de verbijsterende tekst die hij zojuist gelezen had.

Bianca had inmiddels Kees’ geroosterde boterham in vieren gesneden en zette het bordje voor hem neer. Geamuseerd door zijn ernstige gezicht.

“En? Wat is het voor brief?”

Kees leek uit diepe gedachten wakker te schrikken: “Oh…niets. Van de Gemeente.”

“Van de Gemeente? Waarom zouden die ons een brief sturen? Wat staat er in?”

Kees vouwde de brief op en stopte hem weer terug in de enveloppe.

“We moeten ons huis uit. De subsidie wordt gestopt.”

Bianca’s mes zweefde een seconde of twee in een dromerig vacuüm. Fijne appelstroop­vlekjes aan de punt van het mes speelden met het licht van de tafellamp. Buiten was het nog donker.

“Werden wij gesubsidieerd dan?”

“Blijkbaar.”

Een betekeniszwangere stilte nam bezit van de eetkamer in het huis aan de Beukenlaan nummer 42. De wandklok greep zijn kans en liet de seconden knallen.

“En wat nu?” vroeg Bianca nadat ze enige tijd zwijgend tegenover elkaar hadden gezeten. “Wat gaat er met ons gebeuren?”

“Dat staat er niet bij.”

Bianca keek haar man strak aan. “Laat zien,” zei ze en wees naar de brief.

Kees pakte de enveloppe en stopte die in zijn binnenzak.

“Lieve,” zei hij zacht, “deze brief hebben wij nooit ontvangen.”

“Mag dat?”

“Hoe kan men je verbieden iets niet te ontvangen?”

Bianca schudde haar hoofd.

“Maar wat een rare brief!” zei ze. “En per wanneer zou het eigenlijk in moeten gaan?”

“Nou ja, zo’n beetje nu, geloof ik,” zei Kees.

Hoewel hij maar een paar kilometer verderop werkte was het die ochtend alsof ze hem uitzwaaide voor een veel langere reis. Voor het eerst sinds lang liep ze mee tot aan het hek. Draaide zijn sjawl nog even goed. Keek hem ernstig en onderzoekend aan. “Wees voorzichtig.” Kuste hem op zijn wang. Er groeide een haar uit zijn neus.

Ze keek hem na terwijl hij met kleine rukjes aan het stuur wegfietste. Op straat leek het wel zondag. Liep de klok misschien een uur voor?

Binnengekomen belde ze de tijd, maar die gaf een ingesprek-toon.

Het bleef de hele dag stil en mistig. Een grijs egaal licht. Alle uren leken op elkaar. Vroeger dan normaal kreeg ze trek. Haar lichaam hunkerde. Ze kon heel mooi drinken. Werd nooit straalbezopen, maar bleef, hoeveel ze ook dronk, altijd grappig verbaasd over zichzelf en aanverwante zaken.

Ze smolt de boter en plaatste met een eetlepel een miniatuurgebergte van bloem in die sissende oceaan. Met vlugge bewegingen duwde ze de boter door de bloem en liet de pan boven het vuur zweven terwijl ze het tot een pasta kneedde. Ze voegde de melk, bouillon en peper toe en klopte de eerst nog onwillige brokstukken tot een dromerige, zelfvoldane saus.

Tenslotte klopte ze er een eigeel doorheen en doopte toen haar vinger in de warme saus. Stak de vinger in haar mond en liet die langs haar gesloten lippen weer naar buiten glijden.

Toen hij om zes uur nog niet thuis was belde ze zijn werk. De man die opnam sprak in een taal die ze niet kende.

“Ik zoek Kees. Is Kees nog daar?”

De man mompelde iets, sprak tot een derde persoon in hetzelfde vertrek, en schakelde toen een wachtmuziekje in. Het had wel iets weg van een polka.

Toen ze nog eens belde was de lijn afgesloten.

In een keukenkast viel iets.

Ze trok een jas aan en liep naar buiten. In geen van de andere huizen brandde licht. Ze keek bij de buren aan weerszijden naar binnen. Bij het jonge gezin stonden nog wat verhuisdozen in de woonkamer. Het huis van het oudere echtpaar was leeg.

Ze liep naar het midden van de straat. Verward door het geluid van haar voetstappen. Terug in huis voelde ze aan de verwarming, die koud was. Ze trok een extra trui aan. Zag toen dat er gaten in zaten. Hield haar jas aan. Op alle televisiezenders dezelfde ruis. Ze rilde. Met een zacht plofje hield toen ook de televisie er mee op.

Het wilde maar niet echt donker worden. Het leek integendeel wel lichter te worden, hoe later het werd. Geen echt licht, maar een uitbleking van het zwart. Kleur en contrast verdwenen uit de wereld. Alles verdronk in een witte waas.

Haar gedachten gingen terug naar veertig jaar geleden toen niet Kees, maar een vijf jaar oudere jongen haar op veertien-jarige leeftijd had ontmaagd. Heel even zag ze hem haarscherp zijn linker mondhoek optrekken en met tegenzin lachen.

Ze dacht aan Kees maar kon zich zijn gezicht niet meer herinneren.

De mist kwam door het open raam naar binnen. Eerst verdwenen haar voeten. Toen kon ze haar handen niet meer zien. Ze voelde nog net hoe de mist door haar lichaam trok en haar in minuscule deeltjes meevoerde.

 

22 december 2017

 

Dick Tuinder

Leave a Reply